Naar de inhoud
BedrijfsacademiesOpleiden in eigen beheer

Home / Kosten en businesscase

01.2

Subsidies en fondsen voor opleiden in eigen beheer

Er bestaan regelingen die het opzetten van een bedrijfsschool ondersteunen. Ze veranderen alleen vaak, dus controleer altijd de actuele voorwaarden.

27 augustus 2026 · 6 minuten lezen · 1214 woorden · Kosten en businesscase

Bij elke businesscase voor een interne academie komt vroeg of laat de vraag of er niet ergens een potje voor is. Dat is een redelijke vraag, want die potjes bestaan. Er zit alleen een addertje onder: regelingen worden aangepast, tijdvakken sluiten en budgetten raken op. Alles wat je hier leest is bedoeld om te weten waar je moet kijken, niet om op te vertrouwen zonder te controleren.

De SLIM-regeling

De bekendste rijksregeling voor leren en ontwikkelen in het bedrijfsleven is SLIM, wat staat voor Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen. De regeling loopt tot 1 januari 2030 en bestaat uit twee delen.

Het eerste deel is SLIM mkb, met een aanvraagroute voor individuele mkb-ondernemingen en een aanvraagroute voor samenwerkingsverbanden. Een individuele mkb-onderneming kan tot 25.000 euro krijgen, waarbij de subsidie 60 procent van de subsidiabele kosten bedraagt en het project ten minste 5.000 euro aan subsidiabele kosten moet hebben. Voor landbouwbedrijven is het maximum 20.000 euro. Een samenwerkingsverband kan tot 500.000 euro per aanvraag krijgen, waarbij geen enkele deelnemende partij meer dan 200.000 euro mag ontvangen.

Het tweede deel is de SLIM-scholingssubsidie, voor scholing binnen erkende sectorale ontwikkelpaden in wat het ministerie maatschappelijk cruciale sectoren noemt: techniek, bouw en energie, zorg en welzijn, onderwijs, kinderopvang, ICT en groen. Een werkgever kan daar tot 25.000 euro per aanvraag krijgen, met een maximum van 100.000 euro per jaar. Collectieven van werkgevers- of werknemersorganisaties en O&O-fondsen vragen samen aan, met een ondergrens van 125.000 euro per aanvraag. Dit deel van de regeling vervalt per 1 januari 2028, eerder dan de rest.

Voor dit onderwerp is één ding relevant. De regeling noemt als subsidiabele activiteit het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een methode om leren en ontwikkelen in de onderneming te stimuleren. Ondernemersplein vertaalt die formulering met zoveel woorden naar het voorbeeld van een bedrijfsschool. Datzelfde geldt voor het laten opstellen van een bedrijfsdoorlichting met een opleidingsplan en voor loopbaan- en ontwikkeladviezen voor medewerkers. Het gaat dus niet om een vergoeding voor het materiaal zelf, maar om ondersteuning bij het opzetten van de structuur eromheen. Het woord bedrijfsschool komt in de regelingstekst zelf niet voor, dus schrijf in een aanvraag de activiteit op zoals de regeling hem noemt.

De regeling werkt met aanvraagtijdvakken. Buiten die tijdvakken kun je niet aanvragen. Binnen een tijdvak geldt een maximumbudget. Bij overtekening wordt er geloot. In 2026 lagen er meerdere tijdvakken verspreid over het jaar, met verschillende data voor individuele ondernemingen, voor samenwerkingsverbanden en voor de scholingssubsidie. Omdat die data per jaar veranderen, staat er hier bewust geen kalender. Kijk voor de actuele tijdvakken en voorwaarden op de pagina over de SLIM-subsidie op Ondernemersplein, bij Uitvoering van Beleid van het ministerie van SZW dat de regeling uitvoert, of in de regelingstekst zelf op wetten.overheid.nl.

Let op één uitsluiting die precies over dit onderwerp gaat. Scholing die op grond van Europees recht, Nederlands recht, een cao of een regeling van een bevoegd bestuursorgaan verplicht is, komt niet in aanmerking voor de scholingssubsidie. Verplichte scholing in de zin van artikel 7:611a BW valt daar dus buiten. Dat is vervelend, want juist die scholing is bij veel werkgevers de grootste post.

O&O-fondsen: vaak dichterbij dan het Rijk

Voor veel werkgevers is het opleidings- en ontwikkelingsfonds van de eigen sector een praktischer route dan een rijksregeling. Een O&O-fonds is opgericht bij een cao die bij het ministerie van SZW is aangemeld en heeft een bestuur waarin werkgevers en vakbonden allebei zitten. Werkgevers in de sector betalen een premie over de loonsom en uit dat fonds worden scholing en ontwikkeling in de sector betaald. Sommige sectoren gebruiken de naam A&O-fonds, wat op hetzelfde neerkomt. Het ministerie legt de term uit in zijn verklarende woordenlijst.

Wat een fonds precies vergoedt verschilt sterk. Sommige fondsen keren uit per opgeleide medewerker, andere financieren projecten of praktijkbegeleiding, weer andere hebben een budget per bedrijf. Of jouw organisatie eronder valt hangt af van de cao die op je bedrijf van toepassing is. Twee dingen zijn de moeite van het uitzoeken waard voordat je een aanvraag begint:

  • Betaalt het fonds ook voor scholing die je zelf verzorgt? Sommige regelingen vergoeden alleen opleidingen van erkende aanbieders. Dan valt materiaal in eigen beheer er buiten, hoe goed het ook is.
  • Wat moet je aantonen? Fondsen vragen doorgaans om een deelnemersadministratie: wie heeft wat gevolgd, wanneer en met welk resultaat. Wie dat toch al bijhoudt heeft weinig extra werk. Zie Aantoonbaarheid en registratie.

Wat een subsidie niet doet

Een subsidie verandert de businesscase minder dan mensen hopen. Om drie redenen.

Ten eerste is het bijna altijd een deel van de kosten, niet het geheel. Wat overblijft moet je nog steeds kunnen verantwoorden.

Ten tweede dekt een subsidie vrijwel nooit de post die er het meest toe doet, namelijk de uren van je eigen mensen. Externe advieskosten en externe scholing zijn makkelijker te subsidiëren dan interne uren, omdat er een factuur tegenover staat.

Ten derde is een subsidie eenmalig en is onderhoud dat niet. Een module die je met steun hebt gemaakt en daarna niet bijhoudt, is over twee jaar niet meer bruikbaar. Reken het onderhoud dus door alsof er geen subsidie is. In de rekenhulp kun je zien wat het verschil is tussen een aanloop met en zonder eenmalige bijdrage door de ontwikkeluren te verlagen.

Fiscaal en administratief

Scholingskosten voor personeel zijn in beginsel gewone bedrijfskosten. Bij verplichte scholing komt daar iets bij: die moet kosteloos zijn voor de medewerker en telt als werktijd. Verrekenen met het loon of terugvorderen via een studiekostenbeding mag daar niet. Dat staat uitgewerkt in Verplichte scholing: wat de wet erover zegt.

Houd de administratie van een gesubsidieerd traject apart van de rest. Vrijwel elke regeling vraagt achteraf om bewijs: een deelnemerslijst, urenverantwoording, facturen en soms een inhoudelijk verslag. Dat verzamel je makkelijker tijdens het traject dan een jaar later.

Een nuchtere volgorde

Begin met de som zonder subsidie. Klopt die niet, dan is een bijdrage van dertig of vijftig procent op de aanloopkosten meestal ook niet genoeg om het verstandig te maken. Klopt de som wel, dan is een regeling meegenomen. In die volgorde neem je een beslissing die overeind blijft als het tijdvak net gesloten is of het budget net op.

Actuele informatie over beleid rond scholing en ontwikkeling staat op rijksoverheid.nl. Voor de cao-kant is de eigen brancheorganisatie of het eigen O&O-fonds de betrouwbaarste bron, omdat daar de sectorafspraken vandaan komen.

Peildatum en voorbehoud

De bedragen, percentages en einddata in dit artikel zijn gecontroleerd op 6 september 2026 in de regelingstekst op wetten.overheid.nl en op de pagina's van Uitvoering van Beleid en Ondernemersplein. De SLIM-regeling is de afgelopen jaren meermaals verbouwd: per 1 januari 2025 verlengd tot 2030 en ontdaan van de variant voor grootbedrijven in de landbouw, de horeca en de recreatie. In de loop van 2025 kwam het hoofdstuk over de scholingssubsidie erbij. Er zullen opnieuw wijzigingen komen. Controleer daarom altijd de tijdvakken, de plafonds en de subsidiabele activiteiten voordat je een aanvraag voorbereidt of een bedrag in een businesscase zet.